Aangenaam Verpozen

Landgoedeigenaren mogen de stadsmens van natuur voorzien, tegen vergoeding. Over oude landheren, flexibele bestemmingsplannen en veel nieuw geld. ”Te ruime openstelling heeft een enorme impact, daar wordt meteen misbruik van gemaakt.” (2779 woorden, x beelden)

Rust en ruimte vind je in overvloed rond het dorpje Langbroek. Het Langbroekerweteringgebied eromheen meet grofweg zes bij tien kilometer. Noordoostelijk ervan glooien de zandige bossen van de Utrechtse Heuvelrug, in het zuidwesten ligt de oude hoofdloop van de Rijn: de Kromme Rijn.

Bezoek je het gebied, dan tref je een mozaïek aan akkers, bossen en waterlopen. De stroken weiland aan weerszijden van de weg even smal als oneindig: in tien stappen ben je er voorbij, het einde van het weiland kan je alleen maar vermoeden, ergens in de verte. Daartussen glinsteren talloze sloten, die de zompige ‘bolakkers’ omzomen en het kwelwater uit de Heuvelrug afvoeren naar de Rijn.

De weilandjes worden niet alleen begraasd door koeien en schapen, achter hun rug schuilen ook reeën, en rennen de hazen. De buizerds, kop in de kraag op een paaltje, en de reigers, ineengedoken langs de slootkant, zijn de vertrouwde blikvangers in dit landschap. Met regelmaat passeer je een boerenhoeve, van de weg gescheiden door de oude levensader van het gebied, de ‘wetering’. En hier en daar is dan opeens een stuk bos, met de verscholen contouren van een kasteel. Het ademt allemaal rust en ruimte, en vooral veel stilstand.

Geknaagd
Maar aan die rust en ruimte wordt geknaagd. Sluipforensen veranderen de rustieke weggetjes in racebanen, boerenzonen zoeken hun heil in de autohandel. Op hoogtijdagen is het soms gevaarlijk laveren tussen de recreërende zondagsrijders. De provincie wil dat daar een einde aan komt, en heeft samen met de bewoners een ‘plan van aanpak’ opgesteld. In het plan staat geschreven dat autobedrijven weg moeten, net als varkensstallen en sluipverkeer. De recreant is welkom, op de fiets, niet in de auto. En het beheer van het land moet worden overgelaten aan de eigenaars. En dat zijn hier vooral de nakomelingen van de oude landadel, de jonkheren en de graven, met familienamen als Loudon, De Beaufort, Lynden van Sandenburg en Fentener van Vlissingen.

Verreweg de meeste landgoederen in het gebied zijn gesticht door stadse regenten en Amsterdamse kooplieden, rijk geworden door de gouden handel van de zeventiende eeuw. De ‘heren’, zoals veel van hun pachters hen ook vandaag nog noemen, kochten grote stukken land in het gebied en vestigden daarop een ‘buitenplaats’. Zo’n zomerverblijf bestaat steevast uit een flinke villa of zelfs kasteel, met daaromheen een grote, parkachtige tuin met uitbundige waterpartijen, een boomgaard en een ommuurde moestuin.

Verderop ligt bos, voor de productie van hakhout en wilgentenen, en als verblijfplaats van het wild, want jachtpartijen zijn onlosmakelijk verbonden aan ‘het landgoed’. De rest van de grond, de weilanden rond het bos, zijn in pacht bij de boeren. Zo is het mozaïek ontstaan, die verwevenheid van verschillende landschapstypen die het gebied zo aantrekkelijk maakt. ”Voor hun komst was het allemaal akkerland hier, de landheren hebben de afwisseling gebracht”, vertelt sociaal geograaf Ad van Bemmel, die een studie van het gebied maakte. ”En het gegeven dat deze mensen er daarna ook weinig aan wilden veranderen, is de redding geweest voor het gebied. De tijdsgeest om alles recht te trekken, om het waterpeil al te veel te verlagen, de bossen eruit te kappen, en alles te herverkavelen, is dankzij hen aan dit gebied voorbij gegaan. Nu vinden we het allemaal prachtig dat het zo gegaan is”, aldus Van Bemmel.

Kennelijk is het landgoed een nuttig instrument om te behouden wat we allemaal zo prachtig vinden. Henk Smit, die namens de provincie Utrecht het overleg met de bewoners regisseert, vertolkt de visie van de provincie: ”Meestal dragen we natuur over aan Natuurmonumenten, aan Staatsbosbeheer, of aan de regionale landschappen. Maar waarom zouden particulieren niet aan natuurbeheer kunnen doen, misschien kunnen die het wel efficiënter”, oppert hij. ”Landgoedeigenaren beheren het land al generaties lang, dat vinden ze een eer. Ze krijgen nu, in ruil voor openstelling van het landgoed, allerlei fiscale vrijstellingen. Toch blijkt het beheer nog altijd meer te kosten dan het oplevert. Dat ziet de overheid, daarom zullen er in de toekomst betere vergoedingen voor komen”.

Jonkheer Steengracht van Oostcapelle is een van de negentien landgoedeigenaren in het Langbroekerweteringgebied. Zijn landgoed Sterkenburg omvat 120 hectare grond, waarvan 80 bij drie pachters in gebruik is als landbouwgrond. De rest is natuurbos, hakhoutbos of maakt deel uit van het park dat aangelegd is in de directe omgeving van het huis. Steengracht bewoont de voormalige oranjerie, stijlvol verbouwd en omgeven door een strak gazon waarop de fazanten vrolijk rondscharrelen. Op een steenworp afstand ligt het oude kasteel Sterkenburg. ”In ’78 hebben we het kasteel verkocht, het onderhoud werd te kostbaar”, vertelt Steengracht.

De landheren, ooit genoten ze voorrechten en boezemden ze ontzag in, werden in de loop van deze eeuw ingehaald door de tijd. De opbrengst van het landgoed daalde tot een niveau waarbij het onderhoud wel moest versloffen. ”Tot in de dertiger jaren leverde het essen- en eikenhakhout veel op, aanzienlijk meer dan pacht. Ik weet nog dat hier vijf man rondliep om alles te onderhouden. Maar geen bakker stookt zijn oven nog met takkenbossen, geen leerlooier gebruikt nog de bast van het eikenhakhout, en geen wijnrank wordt nog opgeknoopt met wilgentenen. Er loopt hier dus al heel lang niemand meer voor het onderhoud”, vertelt jonkheer Steengracht van Oostcapelle, eigenaar van het landgoed Sterkenburg.

Om te voorkomen dat de landgoedeigenaren aan de bedelstaf zouden raken en hun landgoederen zouden verbrokkelen en verwilderen, werd in 1989 de Natuurschoonwet, tot dan bedoeld voor de grotere natuurgebieden, ook van toepassing verklaard op de particuliere landgoederen. ”Bij elke overerving moest een fors bedrag aan successierechten worden betaald. Dat konden de erfgenamen steeds minder goed opbrengen, ze moesten vaak een stuk land, of een van de gebouwen verkopen. De landgoederen kwamen zo in een neerwaartse spiraal terecht, ze werden steeds kleiner en steeds minder rendabel”, legt Albert Velema uit. Velema is consultant in dienst van ingenieursbureau Arcadis, en door verschillende landgoedeigenaren in de arm genomen als rentmeester. ”De Natuurschoonwet stelt de eigenaren in staat om een landgoed als geheel te behouden, omdat ze worden vrijgesteld van successierechten en omdat ze er weinig vermogensbelasting over hoeven te betalen. Verder bestaan er vergoedingen om hen te helpen in het onderhoud van het landgoed.”

”Kijk bijvoorbeeld eens naar dat essenhakhoutbosje”, wijst Velema op een drassig stukje land, begroeid met een ondoordringbaar woud van dunne stammetjes die uit grote stronken schieten, ”dat is echt heel karakteristiek voor het gebied. Vroeger waren die hakhoutbossen een heel wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering, leverden die stammetjes heel wat op. Nu wil niemand ze nog hebben, je krijgt er alleen 140 gulden per hectare aan rijkssubsidies voor. Maar daar betaal je het onderhoud van zo’n bosje niet van”, weet Velema, die als geen ander de weg kent in het woud aan subsidieregelingen. ,,Alleen al de administratieve rompslomp die het allemaal met zich meebrengt levert enorm veel werk, en de navenante kosten op.”

”Het beeld van de schatrijke landgoedeigenaar klopt dus niet meer. Ja, hij heeft een groot vermogen, aan land en gebouwen. Als hij daar één procent rendement uit weet te halen, dan mag hij al blij zijn. Soms legt hij er zelfs geld bij”, aldus Velema, die vindt dat de verhoudingen scheef zijn gegroeid: ”De recreant maakt dankbaar gebruik van de landgoederen, kan er lekker wandelen en fietsen. Maar dat levert de eigenaren niets op. En kijk ook eens naar het kwelwater, het water uit de Heuvelrug dat hier naar boven komt. De bossen van de landgoederen houden dat water schoon, ze filteren het. Even verderop wordt datzelfde water opgepompt, gebotteld en in de winkel als duur bronwater verkocht. Maar in plaats van de landgoedeigenaar daarvoor te belonen, krijgt hij waterschapsbelasting opgelegd”.

Ferdinand Vaandrager vertegenwoordigt het Utrechts Particulier Grondbezit (UPG), waarin de landgoedeigenaren zijn verzameld, in het overleg met de provincie. Hij bevestigt het beeld dat Velema schetst. ”De vergoedingen die landgoedeigenaren ontvangen zijn ontoereikend. Een landgoed levert gemiddeld een negatief rendement van 2% op. Dat zou een positief rendement moeten zijn, vind ik. Want als je ergens geld in stopt, dan wil je daar ook wat van terugzien. Ik denk dat het zaak is dat er meer waardering komt voor de bestaande natuur, voor het land dat ze nu al onderhouden. Dat is net zo belangrijk als die nieuwe natuur die ze moeten leveren”.

Want naast het onderhoud van de bestaande natuur, vraagt de provincie de landgoedeigenaren ook ‘nieuwe natuur’ te maken. Veel geld is beschikbaar om landbezitters over te halen landbouwgrond om te vormen tot natuur. ”Als je uitgaat van een waarde van 90.000 gulden per hectare cultuurland en 10.000 voor een hectare natuurgrond, zou dat op een compensatie van 80.000 gulden per hectare komen”, rekent projectleider Smit voor. ”Dat wordt uitbetaald over dertig jaar, en onder voorwaarde van een wettelijke bestemmingswijziging. Het zal dus altijd natuur blijven”.

De nieuwe natuur die de provincie wenst, is eenvoudig te realiseren. Door een weiland aan zijn lot over te laten, zullen de planten en dieren die lange tijd zijn verdreven door bemesting en ontwatering, weer terugkeren in het gebied. Door een akker te beplanten met bomen, ontstaat meer leefruimte voor de reeën, vossen en vogels. De eigenaren moeten dan wel instemmen met een bestemmingswijziging, nooit meer zullen zij het omgevormde land agrarisch mogen benutten.

Landgoedeigenaar Steengracht staat daarom niet te springen om nieuwe natuur te maken: ”Ook die nieuwe natuur moet ik onderhouden. Het levert meer op als pacht, maar niemand weet zeker of dat een blijvende zaak is. Ik weet nog dat ik vroeger door de AID, de algemene inspectiedienst, werd gesommeerd omgevallen bomen op te ruimen, want die zouden allemaal ziektes en schimmels verspreiden. Nu vragen ze mij die boom juist te laten liggen. Dus er is twijfel over de betrouwbaarheid van de overheid, je weet niet zeker of ze je over dertig jaar ook nog vergoeden voor het onderhoud. En dan zit je opeens wel met een woestenij die men natuur noemt en waarvan we de bestemming niet mogen wijzigen”. Ook Vaandrager heeft zorgen over de continuïteit van de regelingen: ”Wij hebben bijvoorbeeld hoogstamboomgaarden aangelegd. Heel mooi allemaal, ja. Maar ze gaan er wel uit, omdat de subsidie ineens is stopgezet. Dus de consistentie van het beleid is heel belangrijk”.

Landgoedeigenaar en overheid zoeken daarom samen naar beter, duurzamere constructies om het landschap te behouden. Ze mikken daarbij vooral op de marktwerking. Door landgoederen en buitenplaatsen rendabel te maken, wordt het voor de landgoedeigenaar aantrekkelijker om bestaande natuur te onderhouden en ‘nieuwe natuur’ te maken. In het jargon heet dit ‘rood voor groen’: De landgoedeigenaar krijgt minder beperkingen opgelegd over het gebruik van de gebouwen op zijn landgoed, zodat het voldoende geld opbrengt (rood) om het landgoed te onderhouden of zelfs uit te breiden (groen). Hier en daar gebeurt het al, daar worden boerderijen, koetshuizen, stallen en oranjerieën omgetoverd tot kantoor of vergaderlocatie met ‘allure’. Want de meerwaarde van de omgeving is groot. Bedrijven en particulieren leggen graag extra geld op tafel om zich te mogen vestigen in een mooi, rustig en vooral heel exclusief gebied.

Kasteel Sandenburg is wat je noemt een kasteel, compleet met torentjes, kantelen, een wapen boven de ingang en ook nog een halve slotgracht. Maar de torentjes verzakken, de balustrade verroest, de luiken bungelen scheef en het balkon hangt door. In april start de ruim 4 miljoen gulden kostende restauratie, gefinancierd door Monumentenzorg en een boel geleend geld. Om rente en aflossing te voldoen zal de oude Gravin van Lynden van Sandenburg een stuk van het kasteel moeten ontruimen, en opnieuw een deel van haar erfgoed moeten afstaan voor kantoorruimte.

”De familie heeft daar moeite mee, maar het kan niet anders. Misschien wordt het er wel gezelliger van”, zegt Willem van Cooten, vroeger rentmeester van de oude Graaf, nu beheerder van de BV landgoed Sandenburg. De andere gebouwen van het oude kasteelcomplex heeft de BV al eerder opgeknapt, verbouwd en verhuurd. In het oude tuinhuisje woont nu de ‘jonker’, de Graaf in spé. Hij exploiteert de oranjerie. In de oranjerie overwinteren nog dezelfde palm-, olijf- en sinaasappelbomen als altijd, sommigen zijn al meer dan 150 jaar oud. Na de eerste mei, als de mediterrane bomen naar buiten mogen, is het kleine gebouwtje te huur voor ontvangsten en partijen. Voor enkele duizenden guldens per dagdeel kan je daar je gasten ontvangen, op niveau en compleet met catering.

De grote ommuurde moestuin achter de oranjerie, nog maar enkele decennia geleden het werkterrein van tien tuinlieden, heeft moeten wijken voor een parkeerterrein. Daar schuiven tegenwoordig de employees van gerenommeerde bedrijven hun auto’s in de vakken. Wandelend door boomgaard en bloementuin (de oude druiven- en orchideënkassen zijn helaas gesneuveld) bereiken zij vervolgens hun kantoor: het voormalige koetshuis, strak in de verf en functioneel verbouwd, om in alle rust te werken aan oplossingen voor automatiseringsvraagstukken van hun klanten, en dat zijn bedrijven ‘bovenin de markt’. Of ze wandelen de andere kant op, over bruggetjes en langs slootjes, naar de oude stal. Waar nog maar een paar jaar geleden de paarden briesten en koeien loeiden, waar het geurde naar verse stalmest, daar huizen nu de directeuren van het beursgenoteerde bedrijf Aalberts Industries. De grote staldeuren zijn ramen geworden, die uitzicht geven op de 600 hectare bossen en landerijen van het landgoed.

Steeds meer directiekantoren verdwijnen zo uit de kantoortorens langs de snelweg, om te verhuizen naar een rustiek landgoed, waar de cultuurhistorie voelbaar is. ”Je kan als samenleving zeggen: we vinden het gebied zo waardevol, we betalen jullie voor dat onrendabele onderhoud”, zegt Vaandrager. ”Maar je kan ook zeggen: je mag die boerderij omvormen tot woning, die stal tot kantoor, en uit die hoek krijg je dan inkomsten. Dan krijg je dus meer natuur, terwijl het geld daarvoor niet uit de zak van de overheid hoeft te komen”, aldus Vaandrager, die zelf een investeringskantoor drijft vanuit een oud gebouw op het landgoed van zijn schoonvader. ”Je moet komen tot een ander gebruik van het gebied. De samenleving zegt over sommige vormen van landbouw: dat willen wij niet. Dan zal je de eigenaren moeten motiveren om hun land anders te gebruiken. Dat zijn niet allemaal jonkheren, de link met de adel, de kastelen, die is echt achterhaald. Het kunnen net zo goed boeren zijn die hun bedrijf eraan geven en aan natuurbeheer gaan doen, of gewone burgers die boerderijen overnemen, en het omliggende landschap gaan beheren.”

Dat een flexibel bestemmingsplan het belangrijkste onderwerp van discussie zal worden, is ook de overtuiging van projectleider Henk Smit: ”In de uitwerking van het plan zal het niet zozeer gaan om vergoedingen, maar vooral om de rek die er zit in de bestemming van gebouwen. Ik vind dat we daar creatief mee moeten omgaan. De openstelling van het land is daarbij wel een voorwaarde”, vindt projectleider Smit. De mate van openbaarheid van het land is een heikel punt. Want uitgangspunt van het nieuwe beleid is een landschap voor iedreen, niet alleen voor de ‘happy few’. Dat het gebied behouden moet blijven zoals het is, daar is eigenlijk iedereen het wel over eens. Maar wie mag er komen kijken, wie mogen er ‘aangenaam verpozen’? In het plan staat dat ‘de recreatie bij de boer en op het landgoed een impuls mag krijgen’. Wandelaars en fietsers moeten zich nu nog behelpen met het op en neer lopen van een enkel opengesteld pad, rondwandelingen en doorlopende routes zijn er vrijwel niet.

Bij de bewoners van het gebied bestaat hierover weerstand en angst. Vaandrager bijvoorbeeld is bang dat die paar wandelaars van nu al snel zullen veranderen in een stroom: ”Je moet dat zien in relatie tot de draagkracht van het gebied, we kunnen de natuur niet teveel verstoren. Op het landgoed van mijn buurman staat zondags een hele parkeerplaats vol auto’s, en hij moet de hele dag door zijn bos lopen om te kijken of het wel goed gaat, of ze niets plukken. Mensen kunnen nu zo het bos in rijden op hun motorbike, want er is geen toezicht. Maar als het toezicht goed geregeld wordt, dan denk ik dat het gros van de landgoedeigenaren wel zal meegaan in de recreatie”.
Zo niet landgoedeigenaar Steengracht, die heeft liever niet teveel gasten op zijn land: ”Te ruime openstelling heeft een enorme impact, daar wordt meteen misbruik van gemaakt. Vijf mensen houden zich keurig aan de regels, maar de zesde is een potloodventer of een vogellijmer. Nee, dan maar geen nieuwe natuur en geen compensatiegeld. En als de overheid zegt: hier moet een pad, dan trek ik daar gewoon een groot hekwerk langs, of leg er een brede sloot aan. Dat is dan mijn antwoord”.

(Artikel werd eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad/Zaterdags bijvoegsel, 29 januari 1999)

______________

Waardeer dit artikel!!

Bovenstaand stukje werd je gratis aangeboden. Als je dat waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

NB: Zonder kosten, elke cent komt in het journalistenbeursje
Naar doneren, veilig en in twee kliks. Thnx!

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.