Costa Verde, Vino Verde, Caldo Verde

Flarden mist jagen vanuit de zee het strand op, om boven het hete land in het niets op te lossen. Het zicht is nauwelijks veertig meter en dat levert even mysterieuze als merkwaardige beelden op: silhouetten duiken de koele zee in, mistige figuren zoeken krabbetjes en schelpjes tussen de rotsen. (1714 woorden)

Vissersdorpje
Terwijl de rest van het Iberisch schiereiland zucht onder hitte en bosbranden, spelen we een lekker potje beachvoetbal in de koele mist. Op het strand, bij San Barthelomeu del Mar, een vissersdorpje een uur rijden boven havenstad Porto. Costa Verde heet de kuststrook die zich links en rechts van ons uitstrekt en bestaat uit mooie stranden onder een langgerekte duinenrij. Fotogenieke houten plankjesbruggen brengen de badgasten over die duinen naar het strand, want de duinen, die worden sinds kort met hulp van de EU beschermd.

De Costa Verde, Portugees voor groene kust, is niet voor niets groen. Groen is het hier vanwege de neerslag, die zich kan meten met het langjarig Nederlandse gemiddelde. Maar anders dan in Nederland is het hier zomers gegarandeerd warm, heet zelfs. De koele lucht die vanuit de Atlantische oceaan komt aanwaaien is daarom meer dan welkom. Koel zijn ook de aangename golven van diezelfde oceaan. Soms wild en hoog en voer voor surfers, soms lieflijk en meer geschikt voor de kleuters onder ons. De inwoners van de kustdorpjes strijken elke middag weer neer op de Costa Verde, met de ganse familie, als het werk gedaan is. Dat werk bestaat uit vissen, steenhouwen en veel tuinbouw. Over hele kuststrook van de Costa Verde groeien kolen, tomaten, meloenen op de zilte grond. Het levert mooie contrasten op: in het zwart geklede vrouwtjes die met de volgeladen ossenkar de sambamuziek en cocktails van de strandbar passeren.

Pang, pang, klinkt het al ’s ochtends vroeg, en hard ook. Vanwaar toch dat geknal, vragen we de campingbaas. Vuurwerk, antwoordt hij, dat is het vuurwerk vanwege Festa de San Pedro, een van de religieuze feesten. Portugal staat bol van de religieuze feesten, met kerkelijke processies, speciale missen, luide drumbands, veel eten, feesten en vuurwerk. Nieuwsgierig geworden gaan we op zoek naar het Festa de San Pedro. We zien een drumband lopen; mannen in groene pakken, met zwarte baretten en grote trommels waarmee ze de rest van het dorp Belinho naar het feest roepen. Tevergeefs zoeken we het feestgedruis. ’s Avonds in het donker zoeken we in het dorp opnieuw, nu naar het vuurwerk van tien uur, zoals het op de pamfletten staat aangekondigd. Vreemd, ook nergens te bekennen. Terug bij de tent en net in de slaapzak gekropen –middernacht is het inmiddels- horen we opeens ver geknal.

Zondag. Mooie dag om het binnenland te verkennen. We nemen de kleine weggetjes richting Ponte de Lima, de stad van waaruit de Romeinen ooit Portugal binnentrokken. De temperatuur stijgt met de weg mee het binnenland in, klimt van 25 graden naar 40. De weggetjes naar de stad kronkelen langs de rivier de Lima, door groene heuvels en witte dorpjes, met prachtige granieten huizen en dieppaarse bougainvilles. Rota dos Vinhos Verdes, staat er geschreven onder het wegnummer en links en rechts van ons zien we ommuurde wijngaarden zover het oog reikt. Vino verde maken de Portugezen daarvan: licht mousserende wijn, in Nederland bekend als witte wijn in platte flessen, maar hier vooral rood en uit enorme mandflessen gedronken. We rijden door hoge Eucalyptusbossen, olijvengaarden, bloeiende agaven, een eenzame kurkeik. Op de andere oever zien we een bergflank in brand staan, de dikke rook waaiert uit tot een brede grauwsluier. Een blushelikopter wiekt vlak over ons heen, op weg naar het vuur. Een paar kilometer verder is de lucht weer schoon.

In Ponte de Lima is het warm en druk. We lopen door het schilderachtige stadje, met vreemde, fortachtige huizen, door steegjes en over hol uitgeslepen granieten trappen. In de hete middagzon lopen we de lange Romeinse brug op en neer, met een prachtig uitzicht op de oude stad. Onder ons zoeken kinderen verkoeling in de trage rivier, verderop staat een visser tot aan zijn knieën in het water. Terug in de stad lopen we langs de oever van de Lima, onder een hoog bladerdak van platanen. Bij een kraampje kopen we zoete broodjes voor minder dan een habbekrats, bij een oud vrouwtje een geel zakje ingelegde tuinbonen. Overal in en om het stadje wordt gepicknickt, zoals heel Portugal elke zondag picknickt. Busjes vol tafels en stoelen, koelboxen, barbecues en espressomachines, veel eten en vooral veel flessen worden onder de lommerrijkste boom uitgeladen. De hele familie –van baby tot opa met accordeon- strijkt daar vervolgens onder neer, om pas tegen zonsondergang huiswaarts te keren. Terwijl het stadje langzaam leegloopt eten we in restaurant Encanada een waar feestmaal, met oesters, mosselen en lamsvlees, voorafgegaan door caldo verde, de soep van de streek, gemaakt van een Portugese equivalent van onze boerenkool.

Terug aan het koele strand kruipen we lekker onze warme slaapzakken in en pang, pang, daar gaat het vuurwerk weer. Nog een ruime week duurt ons heerlijke strandleven, en elke dag is de zee weer anders. We maken uitstapjes naar naburige stranden, naar de vriendelijke havenstad Porto met zijn steile steegjes, naar het religieuze Braga met zijn igreja’s – zijn kerken en kathedralen. We rijden een stuk van de pelgrimsroute Caminho Santiago en kopen azulejos –decoratieve tegeltjes- en aardenwerken soepkommen op de markt van Barcelos. Een bezoek aan het noordelijke havenstadje Viano Do Castello sluit onze strandvakantie af. In het levendige Viano bezoeken we de zaterdagmarkt, bestierd door strenge zigeunermoeders. We kopen worsten, kazen, voetbalshirts, een rood fluwelen jurk en voor de grap nog bijna een prachtige koperen destilleerketel voor aguar dente, Portugese jenever. Tussen hun marktwaar roosteren de zigeuners rond het middaguur hun sardientjes en we besluiten tot dezelfde lunch. Na een berg geroosterde sardinhas in een steegje haaks op de lange boulevard zakken we nog een laatste keer de koele oceaan in. Morgen wachten de bergen.

De reis naar het oosten, naar de bergen van de Serra Peneda duurt minder lang dan verwacht. We rijden tot aan de grensrivier Minho – de naamgever van provincie ‘Alto Minho’- en verder langs de rivier naar het noordelijke Melgaço. Romeinse inscripties in de oude stadspoort verraden een lang verleden. Achter de poort vinden we nog meer dikke muren, rond een negen eeuwen oud fort, neergezet door Afonso Henriques, de allereerste koning van Portugal. We buigen af van de Minho en nemen de bochtige weg naar boven, langs wijngaarden, door dennenbossen, naar de kale bergen van de Serra do Peneda en Serra do Geres. Hier ligt het enige officiële nationale park van Portugal: het meet een slordige vijftig bij vijftig kilometer tot diep in Spanje, en is bezaaid met rotsenpieken en bergtoppen rond de duizend meter. Het is een van Europa’s laatste ‘biogenetisch reservaten’, met unieke planten- en diersoorten. We kiezen de noordelijke, rustige aanlooproute bij Lamas de Mouro en strijken voor tien dagen neer op het Parque de Campismo van campingbaas Jose Baltazar. De bermen rond de camping staan vol met picknickende families: klopt, het is weer zondag. ’s Avonds daalt de hele meute weer af naar de bewoonde wereld aan de voeten van de bergen en hebben we het park voor onszelf.

Dagenlang verkennen we het moeilijk toegankelijke gebied. We lopen stukken van de rotsige langeafstandspaden waarmee het park vol zit, bezoeken het oude dorpje Peneda met zijn indrukwekkende kathedraal, vullen onze flessen met heerlijk koel bronwater uit de bergen. Campingbaas Jose wijst ons op de kaart een ‘natuurlijk zwembad’. We hijsen ons in de bergschoenen en dalen af naar de rio Peneda. Steil is het pad, stoffig het oppervlak, heet de middagzon. Aangekomen bij het natuurlijk zwembad moeten we Jose meer dan gelijk geven. We duiken en zwemmen ons koel in het heldere rivierwater dat tussen de enorme rotsen tot stilstand is gekomen als ware het een vijfentwintigmeterbad. We zijn niet de enigen; vissen knabbelen aan onze tenen, een waterslangetje steekt even zijn kop even boven het water en zelfs een vrolijke visotter komt langs wandelen. Op de terugweg proberen we verse vis op de kop te tikken. Tevergeefs. Gelukkig doen de knakworsten het ook heel best op de barbecue, die ons tot diep in de avond warm blijft gloeien.

Ontwaken doen we met een orkest aan druppels; o ja, we zitten in de bergen. Nat regent de tent, nat regent alles. We kruipen in de auto en rijden door de bergen naar Arcos, een stad op dertig kilometer. De weg draait en bocht, stijgt en daalt, de reis kost ons bijna een halve dag. Onderweg zien we schilderachtig dorpjes, zwart verkoolde berghellingen, adembenemende vergezichten en heel veel rotsen. Koeien met prachtige horens en wilde paarden versperren ons meermaal de weg, maar uiteindelijk arriveren we in Arcos de Valdevez. We bestellen een portie Bacalhau –de beroemde Portugese stokvis- met rijst en Carne al la Alentejana, een stoofpotje met overheerlijke kokkels en mooie bonen. Terug naar de tent kiezen we een andere weg, maar veel tijd scheelt het niet. Bergop verzeilen we in een dikke mistwolk. Met twintig km per uur en mistlampen aan schuiven we tussen de piekende rotsen door, op zoek naar Lamas de Mouro, op zoek naar onze camping.

De volgende ochtend is het gedruppel gestopt. Door het dikke tentdoek heen voelen we de zon de wereld droog schijnen. We gaan op stap en rijden oostwaarts, waar nog wilde paarden en wolven moeten leven, volgens gids Victor. Vinden doen we ze niet. Die zitten veel hoger en verder, onbereikbaar diep de bergen in, vertelt ons een lokale boer. Maar verder wil de auto niet, te steil en smal zijn de weggetjes hier voor de Nederlandse chauffeur. We bezoeken de verlaten Invernieras, de winterdorpen van de herders, die nu hogerop de zomerdorpen, de Brandas, bewonen. We bewandelen de oude Romaanse wegen, anderhalf millennium geleden knap bestraat met rotsen en omzoomd door muurtjes en keurige pilaren. Onder een eeuwenoude Keltische brug –nog ouder dan de Romaanse- wentelen we ons nog een laatste maal in de rivier. Op de weg terug naar de tent slaan we een traditioneel gerookte ham en een flinke mandfles wijn in voor terug in Holland. In het prachtige bergdorp Castro Laboreiro besluiten we de vakantie in stijl met lamsbout en uitzicht op een van de meest mooie, wilde en zuivere berggebieden van Europa. We zullen die bergen zeker terugzien.


Draag je abumelle een warm hart toe, overweeg dan een donatie. Alle kleine beetjes helpen. Of geef je op voor de het kwartaalbericht per email, met nieuwe artikelen etc. Ook daar moedig je de auteur mee aan.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.