Alles moet plat

Mijn adolescente winters versleet ik meermaals op het eiland Kreta. Daar plukte ik dan olijven, voor zevenhonderd Drachmes per dag. Kon je weer twee dagen van eten en drinken. Nooit meer werd het leven zo eenvoudig.

Bij een boer in het gehucht Kria Vrissi, aan de voet van het gebergte
Lefka Ori, bleef ik eens maandenlang, want ik had het er goed. Een doorgezakt bed en een koude kraan, dat wel. Maar ze hadden de meest heerlijke wijnen, rechtstreeks uit de kelder. Om nog niet te spreken van de olijven en de olijfolie, nooit proefde ik lekkerder. En borden vol met het soort voedsel waar je gezond oud mee wordt. Dimitris, de opa des huizes, een viriele tachtiger, was daar het levende bewijs van.

Niet alleen ’s avonds, ook in de middagpauze werden de pannen, borden, flessen en glazen vanuit het huis aangedragen naar de boomgaard. Dit is nog eens werken, dacht ik vaak na zo’n lunch. Voordat we terug de boom inklommen, vleiden we ons dan eerst nog even in het gras met een laatste glas wijn, onze gedachten de vrije loop latend. Die van mij vlogen dan dikwijls naar mijn vrienden in Nederland, die, gebogen over de studieboeken, aan hun toekomst werkten.

Op onze tochten naar de olijfgaard kwamen we langs het huis van Yorgos, de slager. Dat wil zeggen, hij had wijngaarden, olijfbomen en wat sinaasappelbomen, zoals alle Kretenzers. Yorgos had zijn nering uitgebreid met een slagersdiploma en een varkensstal. In een bocht van de weg, tegenover zijn huis, stond een enorme Plataan. Geregeld hing daar een dode geit of een varken aan een haak te hangen, plas bloed eronder. De zonen Nikos en Manolis hakten daar dan de lapjes en karbonaadjes uit.

Manolis was een goedlachse jongen, begin twintig en net terug uit dienst. Nikos was anders, die liep al tegen de dertig en had gestudeerd in Italie. Iets met medicijnen. Het jaar daarvoor was hij teruggekeerd op Kreta, kennelijk was het niets geworden met zijn studie en had hij de draad van het dorpsleven weer opgepakt. Met Nikos dronk ik wel eens een biertje.

Nikos was vooruitstrevend, die keuterboertjes van hier moesten het eens wat beter aanpakken, vond hij. Om zelf het goede voorbeeld te geven had hij bedacht dat op een braakliggend landje aardappels gepoot moesten worden. Daar kon ik mooi mee helpen, het was al maart en de de olijfbomen waren bijna leeg.

Het was mooi weer, die dag, en ik genoot van het prachtige landschap dat zich onder het hooggelegen aardappelveldje uitrolde. Achter ons de rotsige pieken en besneeuwde toppen van de Lefka Ori. Voor ons glooiende heuvels, bezaaid met de mooiste der bomen, de olijfboom. Mekkerende geiten en balkende ezels begeleidden het zicht verder naar de turquoise zee dertig kilometer verderop.

Mooier kon een land toch niet zijn. Ik wilde Nikos deelgenoot maken van mijn geluk, zijn land prijzen om de schoonheid ervan. Ik keerde me naar hem toe, maar slikte mijn woorden in toen ik zag dat hij zich ook naar mij toekeerde, dat hij mij deelgenoot wilde maken van zíjn gedachten. Nikos hand beschreef daarbij een vlakke baan, alsof hij een bergje zand op het strand uitvlakte. Met een misprijzende blik op het uitzicht sprak hij woorden die ik nooit zal vergeten: ‘It should be all flat.’

(verscheen eerder op achterpagina NRC Handelsblad op 7 augustus 2000)

Geef een reactie

.