De fotocamera van Ruben Terlou is zijn ticket naar de wereld

Voor onderwijstijdschrift Talent interviewde ik eind 2011 -vandaag ruim zes jaar geleden- talentvolle studenten die het lukte hun meervoudige talenten te benutten. Aan het woord ook Ruben Terlou, destijds een jonge fotograaf en aankomend arts. ‘Ik dacht: ik ben echt een sukkel, ik ben echt niet slim.’

Nu

Het liefst fotografeer ik analoog. De imperfectie van analoog is mooier; vaak wat minder scherp en korreliger, zeker met zwart-wit. En schilderachtiger. Je ziet het resultaat niet direct, zodat je veel kritischer gaat fotograferen. Je moet het beeld eerst visualiseren, pas dan kun je fotograferen.

Voor fotografie heb ik nog maar weinig tijd, omdat ik bezig ben met mijn co-schappen. En dat betekent een volle week werken. Alleen ‘s avonds kom ik nog aan mijn hobby toe. In de meterkast heb ik een doka gemaakt waar ik mijn foto’s kan ontwikkelen.

Of ik ga naar een bestuursvergadering van de GFK, een beroepsvereniging voor fotografen. Zo blijf ik betrokken. Wat ik ook graag doe is koken, als ik na het werk naar mijn vriendin ga. Koken, dat is fijn om de dag af te sluiten. Iets praktisch te doen te hebben waar je niet bij hoeft na te denken.

De eerste anderhalf jaar van mijn studie geneeskunde heb ik hard gestudeerd, daarna ging het vanzelf. Ik heb een fotografisch geheugen, als ik bij een tentamen iets niet weet, blader ik in mijn hoofd en kan ik al die feiten terugvinden. Dat maakt studeren voor mij gemakkelijk.

Ik zou graag nog meer studeren, omdat ik het leuk vind kennis te vergaren, meer te weten. Daar is weinig tijd voor, ik heb niet het gevoel dat ik alle kansen die ik krijg optimaal benut. Was het maar zo. Ik probeer het wel. Zeker sinds het afronden van de middelbare school doe ik wat ik wil.

Ik wilde al veel langer naar Afghanistan. De eerste keer ging ik op de bonnefooi, met de bus vanuit Iran. Het was de koudste winter in dertig jaar, het schoot niet op. We hebben een hele dag gereden en kwamen vast te zitten in de sneeuw op een enorme steppe. Door de keiharde wind en de enorme hoeveelheid sneeuw die naar beneden kwam, was er geen weg meer te zien. Met de hele bus hebben we overnacht bij een dorpshoofd.

Later heb ik samen met drie Afghanen een auto gehuurd en zijn we toch in Herat gekomen. Met die foto’s uit Afghanistan heb ik in 2009 en 2010 de zilveren camera gewonnen, in de categorie buitenlands nieuws. Ik won ook de Canonprijs, voor talent onder de vijfendertig jaar.

Door die prijzen werd ik serieus genomen. Opeens werd ik gebeld door opdrachtgevers. Dat heeft mijn netwerk enorm uitgebreid, het geeft je een platform. En toch, ik ben meer arts dan fotograaf. De voorzitter van de zilveren camera zei nog in mijn oor: ‘je mag ook arts worden hoor’.

Mijn volgende publicatie is van een Ghanees meisje met een huidziekte. Dat zijn foto’s uit 2006, vlak voordat ik ging studeren. Dat wordt een onbetaalde publicatie. Het gebeurt vaak dat er geen geld is, meestal doe ik het dan niet. Nu wel, anders blijft het liggen. Maar het kost soms een maand werk en veel geld. En dan krijg je honderdvijftig euro voor een foto! Daar kun je de huur niet van betalen.

In de beroepsvereniging gaat het vaak over geld. Er zijn veel fotografen die maar postbode of iets dergelijks worden. Dat is de toekomst van de documentaire fotografie: er iets naast gaan doen. Ik hoor vaak: stop niet met je studie.

Vroeger

Op de middelbare Vrije School ging het fout. Ik vond het niet meer leuk. Ik luisterde niet meer, weigerde ook maar iets te doen. Vervelend was ik niet, wel altijd weg, op de fiets de stad uit, vogels kijken, met mijn kijkertje en een opschrijfboekje voor mijn waarnemingen. Dan tekende ik een vogel in de vlucht, beschreef ik de hoek en noteerde ik of hij een zomer- of winterkleed had.  Ik heb altijd veel waargenomen. In de buggy keek ik al naar vogels. Dan vroeg ik mijn moeder of die vogel bijzonder was.

Op school werd ik echt ontevreden, ongelukkig. Ik geloof dat mijn vader me nog wel getest heeft. Daar kwam een getal uit, maar of dat betrouwbaar was, dat weet ik niet. Het is allemaal een beetje buiten me om gegaan.

Het was gewoon klote en ze hebben een oplossing gevonden door me naar het buitenland te sturen. Na een kerstvakantie ben ik met mijn vader meegevlogen naar Sierra Leone, waar hij werkte als psycholoog in een vluchtelingenkamp. Ik had een analoge camera mee, met zo’n onhandige grote telelens, en fotografeerde vogels. Zes weken was ik weg, kennelijk was dat zo geregeld met school.

Ik zou dat eens uit moeten zoeken, ik weet dat niet meer zo goed. Ik ben altijd gericht geweest op de toekomst, niet zo bezig met het verleden. Ik weet wel dat het erg belangrijk is geweest. Een waanzinnige ervaring natuurlijk, om als zestienjarige naar een ander continent te gaan en helemaal naar een land in die toestand, met vluchtelingenkampen, Artsen zonder Grenzen en Unicef.

Kort na terugkomst zijn we verhuisd en kwam ik op een gewone school. Fantastisch. Alles was duidelijk. Je werd getoetst, je had deadlines en daar had je je maar aan te houden. Daar heb ik pas leren studeren. En haalde ik ineens heel hoge cijfers.

De Vrije School heeft me erg onzeker gemaakt. Ik dacht dat ik het helemaal niet kon. Ik deed niks, haalde slechte cijfers, ben gaan onderpresteren. Ik dacht: ik ben een sukkel, ik ben echt niet slim. Maar je hoefde er ook niks, je werd niet afgerekend op wat je deed, je mocht het altijd weer opnieuw doen.

Ik dacht ook dat ik helemaal niet goed was in de exacte vakken, wat nu ontzettende onzin blijkt. Die traagheid van de Vrije School heeft me lang achtervolgd. Dat is nog steeds belangrijk voor me, mezelf blijven uitdagen. Zo krijg ik plezier in wat ik doe. Ik denk ik het gered heb omdat ik veel naar buiten ging, naar de vogels. Achteraf gezien heb ik mezelf daar enorm in uitgedaagd.

Mijn passie voor fotografie is begonnen tijdens het klimmen in de bergen. Fotografie werd mijn ticket naar de wereld. Ik hing altijd boven de atlas, kende de hele wereld uit mijn hoofd. Ik dacht: als ik klaar ben met school, heb ik mijn vrijheid en ga ik weg.

Na het eindexamen ben ik naar China gegaan. Het idee was om in China te beginnen als fotograaf en tegelijk Chinees te leren om met mensen in contact te kunnen komen en zo beter te kunnen fotograferen.

Ik heb er twee jaar intensief Mandarijn gestudeerd, in Kunming, soms wel zestien uur per dag. Ik ging vooral om met Chinezen en meed westerlingen. De Chinezen zeiden: ‘Als we je gezicht niet zien, denken we dat je Chinees bent’. Maar de fotografie kwam niet echt van de grond.

Terug in Nederland heb ik een toelatingsexamen gedaan voor de kunstacademie. Ik had me niet goed voorbereid, had geen portfolio en werd afgewezen. Voor mij was dit een manier om uit te vinden wat ik wilde, omdat het toch niet zo vlotte in de fotografie.

Tijdens de biologielessen op school had ik  gemerkt dat ik biologie ook interessant vond. En tijdens mijn reizen had ik gezien wat je met geneeskunde kunt betekenen voor mensen. Daarom koos ik uiteindelijk voor de studie geneeskunde.

Ik heb altijd belangrijk gevonden eerst heel goed na te denken over een beslissing. Dat is geen twijfel, ik overweeg gewoon lang. De keuzes die ik maak, zijn serieuze keuzes. Gelukkig heb ik daarin altijd veel vertrouwen gekregen van mijn ouders, hoewel de keuzes soms niet erg logisch leken.

Later

Fotografie zal altijd belangrijk voor me blijven. Er zijn periodes dat ik meer met fotografie bezig ben en periodes dat ik me vooral op de studie richt. Wanneer ik alleen met geneeskunde bezig ben, word ik daar soms helemaal gek van. Hetzelfde heb ik met fotografie.

De twee combineren is voor mij belangrijk. Ik wil arts worden en mensen behandelen, maar ook onderwijs geven en onderzoek doen. Wat ik vooral belangrijk vind, is dat ik me academisch verder ontwikkel en verdiep, omdat het me kansen biedt.

Ik heb altijd een tijd in het buitenland willen werken, altijd al de idealistische dokter willen zijn. Ik heb me ingeschreven voor een cursus Perzisch, want ik wil dat graag beter beheersen omdat ik vaker terug wil naar Afghanistan. Als arts zou ik daar graag onderwijs geven of meewerken aan een project. Dat is heel erg nodig. Er zijn wel veel initiatieven, maar het land is zo groot..

Afghanistan is een doorlopend project. Alles bij elkaar ben ik nu zeven maanden in Afghanistan geweest. Een deel van mijn foto’s is gepubliceerd, in de pers of in tentoonstellingen.

Wat ik nu wil is alles in elkaar schuiven, een rode draad vinden en er een verhaal mee vertellen. Tijd daarvoor heb ik nu niet, toch zou het zonde zijn als het blijft liggen. Ik moet gewoon goed plannen, hard werken.

Ik vind het belangrijk veel mensen te bereiken, om dat andere gezicht van Afghanistan te laten zien. Veel mensen denken bij de Taliban bijvoorbeeld aan kwaadaardige, bebaarde mannen, maar feitelijk is het een erg heterogene groep.

In april maakte ik nog een mooie foto van een 15-jarige boerenjongen die uit armoede in een Koranschooltje verzeild is geraakt en daar is geïndoctrineerd. Die foto hebben ze niet geplaatst. Kennelijk vonden ze hem niet goed genoeg, hij had een vrij grove korrel, omdat hij in een kelder was genomen. Dat vind ik juist mooi, niet zo glad en scherp, dat vraagt wat meer emotie. Dat vind ik de kunst van de fotografie. Wij zien toch wel scherp en glad. Het moet wat schilderachtiger, het mag de werkelijkheid wat vervormen.

Ik merk dat ik steeds minder risico wil nemen. Ik word ouder en heb al veel van de wereld gezien. Het is me niet meer zoveel waard als vroeger. Ik heb ook gewoon veel te verliezen, ben hier een leven aan het opbouwen. Afgelopen zomer ben ik heel direct in aanraking gekomen met ziekte. Dat was een grote tegenslag. Dan merk je dat er dingen zijn die groter zijn dan jezelf. Dat je niet alles kunt.


Draag je abumelle een warm hart toe, overweeg dan een donatie. Alle kleine beetjes helpen. Of geef je op voor de het kwartaalbericht per email, met nieuwe artikelen etc. Ook daar moedig je de auteur mee aan.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.