Oude stenen, dode steden. Een voettocht met handenvol kersen, dwars door Jebel Zawiye, Syrie

Te voet verkennen we de machtige Byzantijnse ruines genaamd Dode Steden. Wel is het hier lastig de weg vragen. De nieuwe asfaltweg, die weet iedereen, maar het oude wandelpad, daar wil niemand van weten. (2199 woorden)
-Assalaam aleikum
-Aleikum assalaam
-Is dit het voetpad naar berg 40?
-Berg 40? Dan moet je daar naar beneden, naar het dorp. Daar staan de busjes al klaar, naar Ariha, waar je kan overstappen naar berg 40. Wat zegt u? Maeshi, lopend? Neen, dat kan niet. Neem toch een busje. Hier helemaal lopend gekomen? Masha’allah! Ha, ha! Nou goed dan, jongens, welkom zijn jullie, die kant op ongeveer.”  En voorts klauteren we, over de oude stenen van Syrië.

Een voettocht door de Dode Steden, dat was het plan. De Dode steden, dat zijn ruines, en daar dan doorheen wandelen en en passant door het huidige Syrië. Onze ruines zijn Byzantijns, uit de tijd dat in Europa de dark ages regeerden. Springlevend waren toen onze ruines, met een vooruitstrevende landbouw en bloeiende handel. Verlegde handelsroutes, erosie, de deskundigen zoeken nog altijd naar een onweerlegbare oorzaak, maar ineens kwam het verval. Merkwaardig, zeggen de deskundigen, dat de glorie van weleer nog zo goed zichtbaar is, dat de huizen van toen nog zo fier overeind staan. Alsof ze halsoverkop zijn verlaten, gerangschikt in indrukwekkende Dode Steden, verspreid over de heuvels van de Jebel Zawiye. Daar gaan we lopen.

Op straat in vertrekplaats Ma’araat An-Numaan slaan we voorraden in: bananen, appels, olijven, nootjes, dadels, lokale draadjeskaas en een flink pak platte broden. De winkelier schenkt ons nog een kopje bittere koffie en hop, de stad uit, gadegeslagen door verwonderde Syriërs. Een bende jongetjes doet ons vrolijk uitgeleide. Als we ze hebben afgeschud regeert de rust, de voorjaarslucht en opvallend veel kwetterende vogeltjes. Klaprozen, bloeiende distels en cichorei omzomen het oude pad. Om ons heen heuvels, rotsige kalkstenen heuvels, met een zweem van blauw. Daartussen kleine kaveltjes roestrode aarde, met olijvenboompjes, pistaches, amandelen, druiven. En daar ligt de eerste ruïne al, direct naast de weg. Het land eromheen is in vijftien eeuwen omhoog gekropen tot bovenaan de hoogste muur, opgetrokken van enorme rechtgehouwen blokken kalksteen. Overal liggen ze nu, de ruines, links en rechts naast het pad, tot zover het oog reikt zie je resten van het oude land.

De weg slingert zich over de heuvels. Machinegebrom verraadt een kalksteengroeve. Een pneumatische hamer timmert de zachte rots tot brokken, een volgende verbrijzelt ze, waarna een vrachtwagen het in hoopjes op de oude weg deponeert en een wals er een nieuwe, brede, schitterend witte weg van tovert. De weg loopt lekker, de temperatuur is aangenaam, Syrië is mooi. Op de volgende heuvel ontwaren we een kudde schapen en een bedoeïenentent. We weigeren tweemaal beleefd -’s lands wijs, ’s lands eer- maar gelukkig volgt er nog een derde uitnodiging. We zetten het kopje sterke zoete thee aan de lippen terwijl de bedoeïen een oud plankje tot een spalk voor een geblesseerd schaap gutst. We moeten blijven eten en ook slapen, maar neen, zo schiet het niet op, echt meneer, we moeten verder en gaan ons weegs.

De rechthoekige Byzantijnse bouwstenen verlaten ons niet meer, liggen tot muur gestapeld of ineengestort langs de weg, links, rechts, overal, ook in de verte, tussen de gewone, door wind en regen afgeronde kalkrotsen. We dalen af in een antiek spaarbekken voor regenwater, met een luchtgat en een trappetje om de karaf te komen vullen, want ander water dan regenwater hadden de Byzantijnen hier niet. De temperatuur stijgt en de boompjes nemen langzaam af in aantal en hoogte. Kale rotsplateaus regeren de omgeving, geen reepje schaduw meer te krijgen. Naast de oude weg duiken muurtjes van rotsblokken op, dicht op elkaar, alsof ze een pad omzomen. Zou dat het echte oude pad zijn?

We verlaten de weg en kiezen voor het oude pad. Hoog op de heuvel zien we Sergilla, onze eerste dode stad, zich aftekenen tegen de lucht. Hoog zijn de muren, vierkant de vertrekken, uitgestrekt de binnenplaatsen. Ronde bogen verraden de vakkunst van architecten en bouwers. Wekenlang moet gebeiteld zijn aan de ronde pilaren en de waaiende acanthusbladeren die de ingangen decoreren. Op een van de afgevallen stenen eten we onze draadjeskaas, met brood en olijven, het lokale menu zal in vijftien eeuwen weinig veranderd zijn.

Drie kindertjes bekijken nieuwsgierig onze lunchmanieren. Ze hebben helblonde haren, wat ons doet filosoferen over de genetische sporen van Byzantijnen en kruisridders. Na de lunch struinen we nog wat door de oude stad. Bewonderen de gewelven, blijven met ontzag kijken naar de omvang van de stenen, die als noploze legoblokken op elkaar liggen. Hoe deden ze dat allemaal? Bergjes ernaast aanleggen, zegt de metgezel, en die later weer wegscheppen. Een archeoloog moet hier gek worden, zoveel ruïne bij elkaar.

Een brommertje slalomt tussen de ruines op ons af: de kaartjesverkoper. Hem vragen we de oude weg naar Al Bara, de volgende dode stad. Verdomd, hij kent het pad en opnieuw slingeren we ons tussen de muurtjes gestapelde stenen een weg door het oude land, kruizen halverwege een forse Levantijnse adder en na een uur lopen al bereiken we Al Bara.

We lessen onze dorst in het nieuwe dorp, en vervolgen onze weg westwaarts, waar een nieuwe verzameling ruines ons wacht. Anders dan in Sergilla zijn de gewezen villa’s hier groen overwoekerd. Binnen groeien vijgenbomen, tussen de huizen olijfbomen, op keurig aangeharkte plotjes land. De zon zakt en scherpt het licht. De oude kerk, daar zouden we kunnen slapen, was ons verteld. Nergens een kerk, en er is ook geen kaartjesverkoper, er is hier helemaal niemand.

We strompelen terug naar het dorp en schieten een willekeurige man aan. Die wijst ons de juiste ruines, een kilometer de andere kant op. We waren bij de verkeerde ruines! Maar hoe moet je dat nu weten, er zijn hier overal ruines! Je zou daar inderdaad kunnen slapen, zegt de man, in die oude kerk, maar je kan ook bij mij slapen. Beleefd weigeren we tweemaal, maar na de derde uitnodiging zijgen we neer op de matrassen van Mohammed het schoolhoofd, zijn vrouw Umiyya en hun zeven kindertjes, waarvan de jongste twee weer helblond en blauwogig zijn. Ze willen alles van de reizigers weten en het wordt laat, te laat.

De buurjongen brengt ons de volgende ochtend per tractor naar de ruines. We vinden de kerk alsnog, compleet met middenschip, zijbeuken en het abscis, waar het spannend slapen was geweest. We snellen langs de oude soldatenverblijven, zien de marmeren pilaren, de decoraties van acanthusblad. Ook hier zou de archeoloog weer gek worden, maar wij hebben het wel een beetje gehad met die ruines. Een onzekere dagmars wacht ons.

Gisteren was het eenvoudig navigeren, met duidelijke paden. Vandaag is het doel Jebel Arbaïen, vrij vertaald: berg nummer 40, boven de stad Ariha, zo’n twintig kilometer gaans hemelsbreed. Of er paden zijn weten we niet. Moeten er zijn, maar waar en in welke staat is ongewis. De hulpmiddelen bestaan uit een gps, een onbetrouwbare Syrische toeristenkaart en een oude Russische kaart. We turen langdurig op het cyrillische schrift en concluderen 10 graden noord-noord. De gps komt nu goed van pas. Terwijl de plaatselijken ons onbegrepen nakijken, volgen we hem de heuvel op.

Over de heuvel zien we de volgende dode stad; Dellouza, of Deir Lawze, afhankelijk van welke kaart je gebruikt. Ook hier niemand, geen bewaker, geen toerist, geen boer. We struinen wat rond, eten een meegegeven zoet broodje en vervolgen onze weg per gps: rechtdoor, over grote rotsen en kleine stenen, door struikgewas. Dan vinden we ineens een pad en -ó- wat loopt dat zalig. Langzaam stijgt het land naar zevenhonderd meter en een zoete, bijna alpine voorjaarslucht vergezelt ons, en vlinders en een leger aan leeuweriken en Syrische piepertjes.

We laten het pad lopen want dat loopt te lang naar het westen opnieuw klauteren we over de muurtjes, moeten we steenhoppen over de oude rotsen, ploegen door de zware mulle akkertjes. Dan vinden we weer een pad, nemen nog drie heuvels en ineens ligt er een levend dorp aan onze voeten: Kfar Haya. Verbazing in het dorp over de westerlingen, gevolgd door een uitnodiging. Thee, krijgen we, veel zoete thee. De gastheer excuseert zich voor de belabberde ontvangst van sattellietzender Al Jazira, de bliksem is in de schotel geslagen, drie dagen geleden.

Met tegenzin –neem nu toch de bus, want lopen, dat kan hier helemaal niet- helpt de gastheer ons aan een volgend pad, naar berg 40. Wat volgt is een prachtig pad door een weelderig mediterrane omgeving, met bloeiende olijfgaarden, pistacheboompjes vol in de vrucht en heerlijke paarsrijpe kersen. Geen spreeuwen kennelijk, want geen ratels, geen netten en geen knalmachines. Handenvol kersen krijgen we aangereikt van de kersenplukkers, donkerpaars zijn hun handen. En thee moeten we drinken, maar nee, we moeten door, we moeten naar berg 40!

De slagregens van drie dagen tevoren hebben hun sporen nagelaten, hier en daar zijn de paden weggespoeld. Fluitend lopen we bovenlangs de levendige dorpjes, waaruit de bedrijvigheid opstijgt. Nu en dan komen we iemand tegen en :
-Salaam aleikum.
-Aleikum assalaam. Is dit de weg naar berg 40?
-Neen, dan moet je naar beneden, daar staan de busjes al klaar. Wat zegt u? Maeshi, lopend? Nee, dat kan niet, te moeilijk, te ver. Goed dan. Ja, gewoon door, die kant op. Ahlan, welkom. Kopje thee?

Dan zien we een boel hoge sprieten, verderop. Dat moet de militaire radarinstallatie zijn, dan zijn we al op berg 40! We ronden de berg, zijn zo verstandig de militairen ruim te ontwijken, de gps en grote camera zouden al te veel opzien baren. Bovenop de top blijven we een kwartiertje in de verte staren. Beneden ons getoeter vanuit het stadje Ariha, verderop het volgende stadje Idlib en de vlakte naar metropool Aleppo.

Naar het westen rekt zich de gele zandbaan van een snelweg in aanleg uit, tot achter de eerste bergrug. Daarachter nog een rij bergen -daar ergens moet Antiochië zijn- en nog een rij bergen en heel ver zie we een enorme vulkaanachtige stulp, zou dat het Taurusgebergte zijn, in Turkije? We zien –kortom- de halve route die de dertiende apostel Paulus reisde om van Jezus te vertellen. We nestelen ons op de hoogste rots in de omgeving, 877 meter hoog. De wind giert ons om de oren, de zon zakt en donkere wolken pakken zich bedenkelijk samen. We rillen en moeten verder, naar de beschaving, hoewel het hier tussen de rotsen heel avontuurlijk overnachten zou kunnen zijn. Maar de enkels en voeten zijn moe, de kelen dorstig, de magen hongerig. Op de valreep stuiten we op onze allerlaatste Byzantijnse ruïne van deze tocht, bovenop berg 40 en pal naast het fundament van een luxueuze villa in aanbouw. Beneden nemen we een hotel en eten we de lokale specialiteit: kersenkebab. Een aanrader.

Praktische info:
Gelopen zijn twee dagmarsen in het gebied van de zuidelijke Dode Steden (‘al moedoen al mijoet’) vanaf startplaats Maarat al Numaan, een uurtje gaans vanaf Aleppo, in de Jebel Zawiye, in hoogte variërend van 500 tot 900 meter.
Eenzelfde gebied –vol oudheden- is ook een kwartier ten zuidwesten van Aleppo te vinden, in de Jebel Barisa. In heel Syrië is het trouwens mooi en gemakkelijk wandelen en je komt nog nul toeristen tegen. Er zijn hoge bergen richting Libanon, bergen naar het Turkse en Koerdische noorden en prachtige groene heuvels naar het Alawitische Westen.

Het klimaat is mediterraan, met warme zomers en soms bitter koude winters. Beste wandeltijd is voor- en najaar. De mensen zijn uitermate gastvrij en Syrië is –alle Amerikaanse gedachten daarover ten spijt- een van de veiligste landen ter wereld. Als er geen hotels (prijzen variëren van €10 tot €50) zijn, dan zul je vanzelf worden uitgenodigd bij iemand thuis. Het openbaar vervoer is fantastisch geregeld, overal rijden bussen, busjes en taxi’s. Van Aleppo naar Damascus rijdt je in vier uur. Winkeltjes voor foerage zijn ook overal. Er is meestal iemand in de buurt die Engels spreekt, al worden enige woorden hoffelijk Arabisch absoluut op prijs gesteld en zeker beloond. Wat kleding betreft blijft dit het Midden-Oosten, dus ook al is Syrië aan de makkelijke kant, houdt de torso en de vrouwenbenen bedekt.

Ernaartoe:
SyrianArab Airlines (020 3163248) onderhoudt een stipte en betaalbare (rond €300) lijndienst tussen Amsterdam en Aleppo (za) en Damascus (do). Een visum (€30) koop je bij aankomst. Aleppo is een reuze plezierige stad om te verblijven. Aleppo is vanuit Turkije ook goed met de bus bereikbaar en de havenstad Latakia kan vanaf Cyprus bevaren worden.

Routes en kaarten:
Er zijn geen wandelkaarten voor Syrië. Het dichtsbij (1: 800.000) komt de wegenkaart van Freytag & Berndt. Er is op www.lib.berkeley.edu/EART/syria/100k.html een aardige kaart van 1:100.000 te downloaden, alleen is die twintig jaar oud en in het Russische schrift, dus neem dan ook een kladje met het cyrillische alfabet mee.
Er zijn in Syrië geen wandelroutes, want de Syriër wandelt niet. Behalve dan de Syriër van Al Masier, een ideële organisatie die wandelreizen voor Syrische jongeren organiseert. Bij hen (jesuit-h@scs-net .org) kan je eventueel navraag doen over wandelroutes.

Literatuur:
Lonely Planet of Rough Guide Syria. KIT-landenreeks Syrië door Wim Raven. Het boek Rovers, Christenhonden, Vrouwenschenners (engelstalig: The crusades through Arab eyes) door Amin Maalouf wordt sterk aangeraden. De poorten van Damascus door Lieve Joris geeft een aardig beeld van Syrië tien jaar geleden. Sites: www.syriatourism.org www.syriagate.com

(artikel verscheen eerder ook in Oppad)

______________

Waardeer dit artikel!!

Bovenstaand stukje werd je gratis aangeboden. Als je dat waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

NB: Zonder kosten, elke cent komt in het journalistenbeursje
Naar doneren, veilig en in twee kliks. Thnx!

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.